Opeens kreeg Simon een martelende jeuk in zijn kruis. Hij probeerde het te negeren, bang dat krabben de rust van het water zou verstoren. En rust was heilig op dit moment. Absolute stilte. Geen woord nu, geen beweging. Voor hem staarden drie paar donkere ogen hem afwachtend aan. Boven hen reed het busje met Grüne Polizei tergend langzaam langs de singel. Hij hoorde beurtelings Nederlandse en Duitse klanken, maar hij kon er weinig uit opmaken.
Hoe lang stonden ze hier nu al? Hij viste zijn vaders horloge uit zijn pochet, kwart over elf. Ze waren rond negenen vertrokken. Simon en de drie ‘verhuizers’, een oude man en een jonger stel. Geen namen, alleen drie zorgelijke gezichten, bleek van vermoeidheid, spanning en angst. Het zou niet meer zijn dan een kilometer, van het Rode Dorp naar de Koepoortsweg, vlakbij het spoor. Maar een kilometer in spertijd, in de vroege nachtvorst van november, op je tenen, was niet in afstand te vatten. In angst duurt elke seconde een eeuwigheid.
De eerste paar honderd meter, langs achtertuinen en steegjes, waren voorspoedig verlopen. De oudste van de drie liep wat krom en mompelde soms wat voor zich uit, een gebed misschien. Of misschien waren het de zenuwen. Er stond een koude rotwind, die gluiperig de kwetsbare plekken tussen zijn regenjas en wollen kostuum wist te vinden. Te koud voor zwarthandelaren of landwachters. Hoopte hij.
Ter hoogte van de Veliusbrug hoorde hij de politiewagen brommen, het geluid kwam uit de richting van de binnenstad en het licht reutelende geluid naderde hun richting. Hij zakte snel door zijn knieën en gebaarde zijn reisgenoten hetzelfde te doen. Hij hurkte naar de oever en gleed zonder aarzelen tussen het riet. Het duurde enkele seconden voor het water zich in zijn dikke Engelse tweed had genesteld, maar even daarna was hij gewikkeld in de trage beet van ijskoude singelwater. Hij keek om zich heen. De oude man was hem verrassend snel gevolgd, geluidloos. Op de kant zag hij de gebukte silhouetten van het jonge stel. De vrouw plukte hulpeloos aan de gespjes van haar schoenen, terwijl de man op haar influisterde. Na ieder woord schudde zij nors haar hoofd, alsof zij weigerde afscheid te nemen van haar laatste herinneringen aan een normaal dagelijks bestaan. Het busje met Groenen reed inmiddels op de brug. Ze waren niet op zoek, de auto droeg slechts de minimale verlichting. Eenmaal over de brug sloeg het linksaf. Vijf meter verder en het was tegen het jonge stel aangereden. De motor sloeg af en de handrem werd aangetrokken. Hij hoorde voetstappen. Drie, vier man, schatte hij. Soldatenlaarzen en herenschoenen verspreidden zich. Er klonk een bel bij de oude HBS en de deur ging open. Iemand kuchte. Iemand lachte.
Simon wist dat hij een onnodig risico nam, maar de jeuk werd ondragelijk. Met halfbevroren vingers begon hij te krabben, ter hoogte van zijn schaamstreek, hij voelde een lichte bevrediging en liet zijn plas lopen. Zou er nog iemand in het busje zitten, vroeg hij zich af. Hoe groot is de kans? Het is koud. Waarom nemen we de gok niet? Hij keek naar de drie vormen voor hem. Spierwitte gezichten tussen het zwart, misplaatste ducdalven in het riet. Proberen? Iedere vezel in zijn lichaam dwong hem naar de kant. Alleen zijn hersens bleven op hun plaats. ‘Risico bestaat niet’, had zijn oom Bernard gezegd. ‘Gokken doe je alleen wanneer je iets kunt winnen. In deze tijd kun je alleen veel verliezen of alles.’ Simon dacht aan Wolvega. Hoe hij op Tweede Kersdag honderd gulden had verdiend aan een outsider. Met zijn laatste geld als inzet. Het was geen gok geweest. Hij wist dat het beest zou winnen. Zoals je soms zonder aantoonbare reden iets zeker kunt weten.
In Wolvega was hij alleen geweest. Het waren zijn centen, zijn winst of zijn verlies. Hij voelde een rimpeling. De vrouw verloor haar grip op de modderige bodem. Ze hijgde kleine wolkjes damp. Simons slapen bonkten. Hij haatte zichzelf om zijn besluiteloosheid. Buiten hoorde hij een deur opengaan. De stemmen kwamen terug. Schuddend kwam de auto in beweging.
Simon viste zijn vaders horloge uit zijn borstzak. Kwart over elf. Hij was drijfnat. Het zweet gutste over zijn voorhoofd, hij veegde het gedachteloos over zijn stugge gemillimeterde haar. Hij zat alleen in zijn Jeep en keek naar de geluidloze kampong. De geur van verschroeid hout en vocht maakte hem misselijk. Er was weinig over van het dorp. Een enkel vernield hek, wat geblakerde hutten, een eenzaam dood varken aan de rand van een zandpad. Alleen het eenvoudige, houten kerkje leek onaangetast. Een legertruck reed hem tegemoet, het canvas opgerold. Een handvol maten in hun khaki’s schudde sprakeloos achterin. Hij salueerde. Met de truck verdween het laatste restje geluid. Een bange, drukkende stilte, nog even tastbaar als toen, drie jaar geleden. Simon viste een sigaret uit een pakje en klemde het tussen zijn lippen. Hij draaide zijn contactsleutels om en gaf gas. Zoveel mogelijk, zo luid mogelijk.
donderdag 28 februari 2013
Simon
Opeens kreeg Simon een martelende jeuk in zijn kruis. Hij probeerde het te negeren, bang dat krabben de rust van het water zou verstoren. En rust was heilig op dit moment. Absolute stilte. Geen woord nu, geen beweging. Voor hem staarden drie paar donkere ogen hem afwachtend aan. Boven hen reed het busje met Grüne Polizei tergend langzaam langs de singel. Hij hoorde beurtelings Nederlandse en Duitse klanken, maar hij kon er weinig uit opmaken.
Hoe lang stonden ze hier nu al? Hij viste zijn vaders horloge uit zijn pochet, kwart over elf. Ze waren rond negenen vertrokken. Simon en de drie ‘verhuizers’, een oude man en een jonger stel. Geen namen, alleen drie zorgelijke gezichten, bleek van vermoeidheid, spanning en angst. Het zou niet meer zijn dan een kilometer, van het Rode Dorp naar de Koepoortsweg, vlakbij het spoor. Maar een kilometer in spertijd, in de vroege nachtvorst van november, op je tenen, was niet in afstand te vatten. In angst duurt elke seconde een eeuwigheid.
De eerste paar honderd meter, langs achtertuinen en steegjes, waren voorspoedig verlopen. De oudste van de drie liep wat krom en mompelde soms wat voor zich uit, een gebed misschien. Of misschien waren het de zenuwen. Er stond een koude rotwind, die gluiperig de kwetsbare plekken tussen zijn regenjas en wollen kostuum wist te vinden. Te koud voor zwarthandelaren of landwachters. Hoopte hij.
Ter hoogte van de Veliusbrug hoorde hij de politiewagen brommen, het geluid kwam uit de richting van de binnenstad en het licht reutelende geluid naderde hun richting. Hij zakte snel door zijn knieën en gebaarde zijn reisgenoten hetzelfde te doen. Hij hurkte naar de oever en gleed zonder aarzelen tussen het riet. Het duurde enkele seconden voor het water zich in zijn dikke Engelse tweed had genesteld, maar even daarna was hij gewikkeld in de trage beet van ijskoude singelwater. Hij keek om zich heen. De oude man was hem verrassend snel gevolgd, geluidloos. Op de kant zag hij de gebukte silhouetten van het jonge stel. De vrouw plukte hulpeloos aan de gespjes van haar schoenen, terwijl de man op haar influisterde. Na ieder woord schudde zij nors haar hoofd, alsof zij weigerde afscheid te nemen van haar laatste herinneringen aan een normaal dagelijks bestaan. Het busje met Groenen reed inmiddels op de brug. Ze waren niet op zoek, de auto droeg slechts de minimale verlichting. Eenmaal over de brug sloeg het linksaf. Vijf meter verder en het was tegen het jonge stel aangereden. De motor sloeg af en de handrem werd aangetrokken. Hij hoorde voetstappen. Drie, vier man, schatte hij. Soldatenlaarzen en herenschoenen verspreidden zich. Er klonk een bel bij de oude HBS en de deur ging open. Iemand kuchte. Iemand lachte.
Simon wist dat hij een onnodig risico nam, maar de jeuk werd ondragelijk. Met halfbevroren vingers begon hij te krabben, ter hoogte van zijn schaamstreek, hij voelde een lichte bevrediging en liet zijn plas lopen. Zou er nog iemand in het busje zitten, vroeg hij zich af. Hoe groot is de kans? Het is koud. Waarom nemen we de gok niet? Hij keek naar de drie vormen voor hem. Spierwitte gezichten tussen het zwart, misplaatste ducdalven in het riet. Proberen? Iedere vezel in zijn lichaam dwong hem naar de kant. Alleen zijn hersens bleven op hun plaats. ‘Risico bestaat niet’, had zijn oom Bernard gezegd. ‘Gokken doe je alleen wanneer je iets kunt winnen. In deze tijd kun je alleen veel verliezen of alles.’ Simon dacht aan Wolvega. Hoe hij op Tweede Kersdag honderd gulden had verdiend aan een outsider. Met zijn laatste geld als inzet. Het was geen gok geweest. Hij wist dat het beest zou winnen. Zoals je soms zonder aantoonbare reden iets zeker kunt weten.
In Wolvega was hij alleen geweest. Het waren zijn centen, zijn winst of zijn verlies. Hij voelde een rimpeling. De vrouw verloor haar grip op de modderige bodem. Ze hijgde kleine wolkjes damp. Simons slapen bonkten. Hij haatte zichzelf om zijn besluiteloosheid. Buiten hoorde hij een deur opengaan. De stemmen kwamen terug. Schuddend kwam de auto in beweging.
Simon viste zijn vaders horloge uit zijn borstzak. Kwart over elf. Hij was drijfnat. Het zweet gutste over zijn voorhoofd, hij veegde het gedachteloos over zijn stugge gemillimeterde haar. Hij zat alleen in zijn Jeep en keek naar de geluidloze kampong. De geur van verschroeid hout en vocht maakte hem misselijk. Er was weinig over van het dorp. Een enkel vernield hek, wat geblakerde hutten, een eenzaam dood varken aan de rand van een zandpad. Alleen het eenvoudige, houten kerkje leek onaangetast. Een legertruck reed hem tegemoet, het canvas opgerold. Een handvol maten in hun khaki’s schudde sprakeloos achterin. Hij salueerde. Met de truck verdween het laatste restje geluid. Een bange, drukkende stilte, nog even tastbaar als toen, drie jaar geleden. Simon viste een sigaret uit een pakje en klemde het tussen zijn lippen. Hij draaide zijn contactsleutels om en gaf gas. Zoveel mogelijk, zo luid mogelijk.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten