Je hebt me alle sterren laten zien
Maar ik kwam nooit dichter bij je hart
donderdag 25 november 2010
dinsdag 16 november 2010
No more heroes. Anymore.
1977 of daaromtrent. Ik was zestien jaar en punk. Ik droeg een versleten leren jack met de juiste buttons, laarzen met stalen neuzen en draaide met groene zeep spikes in mijn toch al witte haar. Thuis oefende ik in de spiegel op een 'fuck off' Paul Simonon-blik, die had ook een spleetje tussen zijn tanden. O ja, en ik was ook nog tegen de maatschappij.

The Clash, The Damned, The Ramones, okee. Maar The Stranglers? Ik was er niet weg van. Dat zeurende orgeltje, dat slappe gitaartje, mwoah. Alleen die Jean-Jacques Burnell had wel wat. Pezig, rattig en bassen als een heimachine. Ergens had ik ook gehoord dat hij bevriend zou zijn met de Hells Angels. Maar daar wist ik het fijne niet van. Tot die avond.
Had ik nou kaartjes gekocht of was ik naar binnen geglipt? Ik ben het kwijt. Maar Paradiso was vol. Tjokvol en bloedheet. Mijn jack plakte om mijn dunne lijf en ik snakte naar adem toen ik de grote zaal binnen werd geduwd. Het geluid resoneerde in mijn darmen, terwijl ik kippig naar het viertal op het podium staarde. JJ Burnell meanderde als een slang over het podium, vuile blikken werpend naar het publiek, dat zijn hartelijkheid beantwoorde met bierfonteinen. Ik werd meegezogen naar voren, tot vlakbij het podium. Ik wérd bewogen, kon geen kant op. Aan weerszijden van het podium stond een stel enorme mannen. Ruig, maar beslist geen punkers. Daar waren ze te breed voor. En ze hadden een baard. Bovendien droegen ze een vuil, mouwloos spijkerjack over hun leren jacks. Ze dansten niet, maar dronken uit bier- of Jack Daniels-flessen. Eentje draaide zich om. Op zijn rug las ik: 'Hells Angels – MC Amsterdam'.
Ergens ter hoogte van 'No more heroes', begon de meute te pogoën. Duwen, trekken, vallen, lachen en weer opstaan. Gewoon lekker afreageren, zoals dat altijd gebeurde in iedere kelder of concertzaal. Alleen, de heren Hells Angels dachten daar anders over. Wellicht ingefluisterd door de satanische bassist – je bent een Strangler of niet – besloot de motorclub zich te transformeren in een ordedienst. Ze sprongen van het podium en bleken over een totaal andere visie op de befaamde pogo te beschikken. Getatoeëerde handen vonden hun weg naar neuzen, oren, nieren en levers van de geschrokken muziekliefhebbers, die nu vooral hun armen bezwerend omhoog hielden, alsof ze daarmee de regen van slagen tot bedaren konden brengen. Een bloedige, woordeloze slachtpartij, overstemd door een zieltrekkend volume.

Ik was klein voor mijn leeftijd. En opeens lang niet meer zo stoer. Maar ik was wel soepel. Een eigenschap die mij uitstekend te pas kwam, bij het ontwijken van de slagen en trappen van talloze vuisten en motorlaarzen. Weg hier! Weg!, schreeuwde iedere vezel in mijn lichaam. Ik draaide me om en probeerde tegen de opwaartse kracht van het zaalpubliek in te duwen. Hopeloos, ik werd als een veertje teruggeblazen in de vechtende horde, waar bloedspatten de plaats van bier hadden ingenomen. Ik zag nog maar één uitweg: het podium op. Hoe het me is gelukt omhoog te klimmen? Geen idee. Waarschijnlijk onvermoede superkrachten, die loskomen bij acuut levensgevaar. En hoe ik langs The Stranglers en hun vrienden ben geslopen; het is uit mijn herinnering verdwenen. Ik weet alleen nog dat ik dekking zocht achter een oude, zwarte piano en ontzet toekeek hoe het publiek op de eerste rijen langzaam veranderde in een zwartrode pulp.
Wat er verder met Leon Trotski, the Great Elmyra of Sancho Panzo gebeurde, het zou me worst wezen. Als ik het er maar ongeschonden vanaf zou brengen. Vóór mij twee breedgeschouderde Hells Angels, achter mij een Altamont aan de Amstel. Maar dit bedoelde ik niet met 'no future'! Ik moet morgen weer naar school. Ik heb een broertje van elf!!
Of het nu God was, of de Voorzienigheid, maar onopgemerkt schuifelde ik langs het toneelgordijn, langs de muur in de richting van de artiestenuitgang. Ik was onzichtbaar geworden. Dat kan niet anders, want één van de grootste Angels, misschien wel de Baas, keek míjn richting op. Hij zag mij. Nee, hij kéék naar mij. En deed niets! Geen klappen, geen knipoog. Niets.

Seconden later stond ik buiten bij de artiesteningang te kotsen, omringd door een horde Harleys. Ik trilde over mijn hele lichaam, er zat een scheur in mijn jack en mijn broek kleefde van het bloed en vuil. Maar ik leefde nog. Ik hoorde de tram. Een auto. Een stem: 'Hee joh, sodemieter op bij die motoren'. Graag. Dank u beleefd, meneer. Ik ga naar huis.
No more heroes. Anymore.

The Clash, The Damned, The Ramones, okee. Maar The Stranglers? Ik was er niet weg van. Dat zeurende orgeltje, dat slappe gitaartje, mwoah. Alleen die Jean-Jacques Burnell had wel wat. Pezig, rattig en bassen als een heimachine. Ergens had ik ook gehoord dat hij bevriend zou zijn met de Hells Angels. Maar daar wist ik het fijne niet van. Tot die avond.
Had ik nou kaartjes gekocht of was ik naar binnen geglipt? Ik ben het kwijt. Maar Paradiso was vol. Tjokvol en bloedheet. Mijn jack plakte om mijn dunne lijf en ik snakte naar adem toen ik de grote zaal binnen werd geduwd. Het geluid resoneerde in mijn darmen, terwijl ik kippig naar het viertal op het podium staarde. JJ Burnell meanderde als een slang over het podium, vuile blikken werpend naar het publiek, dat zijn hartelijkheid beantwoorde met bierfonteinen. Ik werd meegezogen naar voren, tot vlakbij het podium. Ik wérd bewogen, kon geen kant op. Aan weerszijden van het podium stond een stel enorme mannen. Ruig, maar beslist geen punkers. Daar waren ze te breed voor. En ze hadden een baard. Bovendien droegen ze een vuil, mouwloos spijkerjack over hun leren jacks. Ze dansten niet, maar dronken uit bier- of Jack Daniels-flessen. Eentje draaide zich om. Op zijn rug las ik: 'Hells Angels – MC Amsterdam'.
Ergens ter hoogte van 'No more heroes', begon de meute te pogoën. Duwen, trekken, vallen, lachen en weer opstaan. Gewoon lekker afreageren, zoals dat altijd gebeurde in iedere kelder of concertzaal. Alleen, de heren Hells Angels dachten daar anders over. Wellicht ingefluisterd door de satanische bassist – je bent een Strangler of niet – besloot de motorclub zich te transformeren in een ordedienst. Ze sprongen van het podium en bleken over een totaal andere visie op de befaamde pogo te beschikken. Getatoeëerde handen vonden hun weg naar neuzen, oren, nieren en levers van de geschrokken muziekliefhebbers, die nu vooral hun armen bezwerend omhoog hielden, alsof ze daarmee de regen van slagen tot bedaren konden brengen. Een bloedige, woordeloze slachtpartij, overstemd door een zieltrekkend volume.

Ik was klein voor mijn leeftijd. En opeens lang niet meer zo stoer. Maar ik was wel soepel. Een eigenschap die mij uitstekend te pas kwam, bij het ontwijken van de slagen en trappen van talloze vuisten en motorlaarzen. Weg hier! Weg!, schreeuwde iedere vezel in mijn lichaam. Ik draaide me om en probeerde tegen de opwaartse kracht van het zaalpubliek in te duwen. Hopeloos, ik werd als een veertje teruggeblazen in de vechtende horde, waar bloedspatten de plaats van bier hadden ingenomen. Ik zag nog maar één uitweg: het podium op. Hoe het me is gelukt omhoog te klimmen? Geen idee. Waarschijnlijk onvermoede superkrachten, die loskomen bij acuut levensgevaar. En hoe ik langs The Stranglers en hun vrienden ben geslopen; het is uit mijn herinnering verdwenen. Ik weet alleen nog dat ik dekking zocht achter een oude, zwarte piano en ontzet toekeek hoe het publiek op de eerste rijen langzaam veranderde in een zwartrode pulp.
Wat er verder met Leon Trotski, the Great Elmyra of Sancho Panzo gebeurde, het zou me worst wezen. Als ik het er maar ongeschonden vanaf zou brengen. Vóór mij twee breedgeschouderde Hells Angels, achter mij een Altamont aan de Amstel. Maar dit bedoelde ik niet met 'no future'! Ik moet morgen weer naar school. Ik heb een broertje van elf!!
Of het nu God was, of de Voorzienigheid, maar onopgemerkt schuifelde ik langs het toneelgordijn, langs de muur in de richting van de artiestenuitgang. Ik was onzichtbaar geworden. Dat kan niet anders, want één van de grootste Angels, misschien wel de Baas, keek míjn richting op. Hij zag mij. Nee, hij kéék naar mij. En deed niets! Geen klappen, geen knipoog. Niets.

Seconden later stond ik buiten bij de artiesteningang te kotsen, omringd door een horde Harleys. Ik trilde over mijn hele lichaam, er zat een scheur in mijn jack en mijn broek kleefde van het bloed en vuil. Maar ik leefde nog. Ik hoorde de tram. Een auto. Een stem: 'Hee joh, sodemieter op bij die motoren'. Graag. Dank u beleefd, meneer. Ik ga naar huis.
No more heroes. Anymore.
Labels:
punkers die voorbij gaan,
Van jonge mensen
donderdag 4 november 2010
Vroegâh
Ik kreeg laatst van Silva Tensen wat foto's uit de oude doos gemaild. Silva was tussen 1979 en 1980 één van mijn grote liefdes. Eén van ja, blame the hormones. Silva kwam uit Bovenkarspel. Ze zat op het gymnasiumdeel van het Werenfridus, waar ik er de kantjes van afliep op de Havo. Ik vond haar mooi. Ze had iets donkers, een tuinderstintje, zoals bloemkoolkwekers die krijgen als ze lang in de openlucht werken. Silva had halflang, donkerbruin haar een een volle mond, die een tikje naar links (meen ik) afweek, op een intrigerende manier. Ze was ad rem, slim en intelligent en zag er niet tegenop om een kerriegeel pak te dragen. Hier zie je ons op de kermis van Bovenkarspel of Grootebroek.


Schattig! Het was wisselend bewolkt die dag, zo lijkt het. Op de ene foto draag ik een jack over mijn schouder en op de volgende duik ik weg in mijn kraag. Ik kijk op beide foto's op dezelfde manier in de camera: een blik die weinig tot niets serieus lijkt te nemen. Klopt vrij aardig, voor zover ik me kan herinneren. Ik vrat kennis, las mezelf te pletter, maar voelde me vooral verwant aan Jan Cremer. Zoals iedere adolescent zou moeten doen. Silva kijkt op de 'koude' foto wat onderzoekend naar de fotograaf, op de tweede al met een beetje meer lef. Het zijn onmiskenbaar kermisfoto's. Nu pas besef ik me dat Silva de bonnetjes van de fotograaf heeft bewaard en de foto's later heeft afgehaald. Eerst om het moment met je vriendje te koesteren en later als een herinnering aan je jeugdliefde. Ik geloof dat Silva oprecht verliefd op mij was. En met terugwerkende kracht is dat het mooiste compliment dat je kunt krijgen in je leven.
Ik zou willen dat ik die tijd eventjes over zou kunnen doen. Om het beter te doen dan ik het heb gedaan. Want ik was niet in staat om het concept 'liefde' te behappen. Ik was trouwer aan het clubje sarcastische pre-hangjongeren dan aan degene die rekende op mijn onvoorwaardelijke toewijding. Zonder het te zeggen schikte Silva zich in haar lot en liet ze zich de puberale opmerkingen van mijn maten met nonnengeduld welgevallen. Ook dat is min of meer vastgelegd.



Eén van mijn vrienden heette Jan Bot. Een perfecte naam voor een bleke, vroeg kalende en fors uit de kluiten gewassen jongeman, die zijn moeizame verhouding met het vrouwelijk geslacht niet anders kon verwoorden dan in meedogenloze, sarcastische oneliners, die evenveel humor als hulpeloosheid uitstraalden. Kon er vreselijk om lachen, dat dan weer wel.
Maar er gebeurde iets bijzonders, het jaar erop. Silva slaagde! Ze had haar diploma op zak en voor we het goed en wel doorhadden, zat ze op kamers in Amsterdam. Ze had besloten Italiaans te studeren. Het leven trok een nieuw register open. "Amsterdao, Amsterdao, Amsterdao te corazon!" Ze vond een plekje op de prinsengracht, een kleine honderd meter verwijderd van Anne Frank en een paar stappen van Rum Runners en vooral café de Prins en de Twee Zwaantjes. Het kan een stukje hardnekkig afval zijn in mijn geheugen, maar ik meen dat ze op nummer 241 en nog wat woonde. Als je wakker werd, keek je uit op ijzerwarenhandel Günters & Meuser. Bestaat dat nog? Wij provinciaaltjes zetten onze eerste stapjes in de grote wereld en ontdekten dat Amsterdam is gebouwd op dorpelingen, nog groener dan wij ooit waren geweest.


Schattig! Het was wisselend bewolkt die dag, zo lijkt het. Op de ene foto draag ik een jack over mijn schouder en op de volgende duik ik weg in mijn kraag. Ik kijk op beide foto's op dezelfde manier in de camera: een blik die weinig tot niets serieus lijkt te nemen. Klopt vrij aardig, voor zover ik me kan herinneren. Ik vrat kennis, las mezelf te pletter, maar voelde me vooral verwant aan Jan Cremer. Zoals iedere adolescent zou moeten doen. Silva kijkt op de 'koude' foto wat onderzoekend naar de fotograaf, op de tweede al met een beetje meer lef. Het zijn onmiskenbaar kermisfoto's. Nu pas besef ik me dat Silva de bonnetjes van de fotograaf heeft bewaard en de foto's later heeft afgehaald. Eerst om het moment met je vriendje te koesteren en later als een herinnering aan je jeugdliefde. Ik geloof dat Silva oprecht verliefd op mij was. En met terugwerkende kracht is dat het mooiste compliment dat je kunt krijgen in je leven.
Ik zou willen dat ik die tijd eventjes over zou kunnen doen. Om het beter te doen dan ik het heb gedaan. Want ik was niet in staat om het concept 'liefde' te behappen. Ik was trouwer aan het clubje sarcastische pre-hangjongeren dan aan degene die rekende op mijn onvoorwaardelijke toewijding. Zonder het te zeggen schikte Silva zich in haar lot en liet ze zich de puberale opmerkingen van mijn maten met nonnengeduld welgevallen. Ook dat is min of meer vastgelegd.



Eén van mijn vrienden heette Jan Bot. Een perfecte naam voor een bleke, vroeg kalende en fors uit de kluiten gewassen jongeman, die zijn moeizame verhouding met het vrouwelijk geslacht niet anders kon verwoorden dan in meedogenloze, sarcastische oneliners, die evenveel humor als hulpeloosheid uitstraalden. Kon er vreselijk om lachen, dat dan weer wel.
Maar er gebeurde iets bijzonders, het jaar erop. Silva slaagde! Ze had haar diploma op zak en voor we het goed en wel doorhadden, zat ze op kamers in Amsterdam. Ze had besloten Italiaans te studeren. Het leven trok een nieuw register open. "Amsterdao, Amsterdao, Amsterdao te corazon!" Ze vond een plekje op de prinsengracht, een kleine honderd meter verwijderd van Anne Frank en een paar stappen van Rum Runners en vooral café de Prins en de Twee Zwaantjes. Het kan een stukje hardnekkig afval zijn in mijn geheugen, maar ik meen dat ze op nummer 241 en nog wat woonde. Als je wakker werd, keek je uit op ijzerwarenhandel Günters & Meuser. Bestaat dat nog? Wij provinciaaltjes zetten onze eerste stapjes in de grote wereld en ontdekten dat Amsterdam is gebouwd op dorpelingen, nog groener dan wij ooit waren geweest.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
