Pagina's

donderdag 28 februari 2013

Tony Ferrara

De droge hitte van Allerton Avenue sloeg Tony in het gezicht, zodra hij het metrostation verliet. Aan zijn rechterarm schommelde een groot, cilindervormig pakket, waarover hij een bruine paardendeken had gedrapeerd. In zijn linkerhand hield hij een verschoten, bruinleren valies. Zijn bolhoed plakte aan zijn voorhoofd, maar Tony floot evengoed een melodietje. De dag was goed voor hem geweest. Hij zette het pak voorzichtig op de eettafel en leegde zijn zakken. Muntgeld en briefjes tuimelden door elkaar, bijna vierentwintig dollar. Ruim genoeg voor zijn huur, inclusief de vier dollar achterstand waar de weduwe o’Riordan nu bijna dagelijks om zeurde. Tony glipte uit zijn colbert en draaide een sigaret. Uit het pakket klonk een zacht ‘arrrrrr’, als het spinnen van een hese kat. Met een sierlijke zwaai trok Tony de deken weg. Hij glimlachte naar de papegaai, die wat versuft op zijn stok wiegde. ‘That’s my boy’, bromde hij met een Duits accent. Tony Ferrara heette eigenlijk Arnold Bierhalter. Geen naam voor een vaudeville-artiest in New York. In Hamburg had het niet uitgemaakt hoe hij heette, toen hij met zijn kaartentrucs de kroegen afstruinde, op zoek naar dronken zeelui die een deel van hun wedde aan hem wilden afstaan voor ze die zouden verbrassen aan hoeren en goedkope jenever. Maar hier, in de schimmige achteraftheaters aan de Lower East Side, kon een welgekozen artiestennaam worden uitgedrukt in dollars. Bovendien, het voorkwam opmerkingen over ‘Der Kaiser’ en de oorlog, een continent verderop. Billy was hem in de schoot geworpen. Letterlijk. Een dronken Poolse zeeman had hem in modderig schemersteegje geruild voor de halflege heupfles goedkope whiskey in zijn binnenzak. Billy probeerde zichzelf in evenwicht te houden op de zwaaiende schouder van de man en leek aangenaam verrast toen hij werd opgepakt en met een zwaai in de armen van Tony belandde. ‘Do wizenia’, had Billy treffend geroepen. ‘Tot ziens!’ Dat was drie jaar geleden, in die meedogenloze winter van 1913. Tony had handel gezien in Billy. Zijn oude kaarttrucs bleken niet goed te vallen bij het achterdochtige, merendeels Italiaanse publiek en een nieuwe act was meer dan welkom. Wekenlang probeerde hij Billy woordjes te leren. Hij paaide het dier met maïskorrels en stukjes appel, maar na oeverloos repeteren kwam Billy niet verder dan ‘Yessir’ en het onvermijdelijke ‘Do wizenia!’. Gaandeweg verloor Tony zijn interesse. Billy verdween naar een hoek van de kamer, totdat Tony had besloten wat hij met het dier zou doen. Tony knoopte de eindjes aan elkaar met een enkel optreden, verhuisklusjes en sinds kort, Engelse les. Een toevalligheidje, het elfjarige neefje van meneer Schiller, de bakker verderop, was drie weken geleden overgekomen naar New York, op de boot gezet door zijn bezorgde ouders. Meneer Schiller had geen tijd het joch bij te spijkeren en had Tony om hulp gevraagd, in ruil voor brood en wat zakcenten. Niet dat Tony zo vloeiend Engels sprak, maar de stekende leegte in zijn maag maakte dat hij niet kon weigeren. En zo stond Tony in hemdsmouwen tegenover een mager joch in korte broek. Zijn holle ogen keken Tony hulpeloos aan, wanneer deze hem wat topografische kennis bij probeerde te brengen uit een rafelige atlas die Tony ergens uit een stapel papier had getrokken. De hoofdstad van New York? Albany! New Jersey? Trenton! Californië? Sacramento! Tony bleef de antwoorden voorkauwen, het joch bleef hem met een onbegrijpende blik aanstaren. Toen Tony voor de zoveelste keer vroeg naar de hoofdstad van New Hampshire, klonk opeens het goede antwoord: ‘Concord!’ Maar het was niet het neefje van meneer Schiller dat had geroepen. Billy, de nutteloze grijze roodstaart, bleek de afgelopen weken meer te hebben opgestoken dan het elfjarige emigrantenkind. Geamuseerd en licht verbaasd ging Tony verder: Ohio (‘Columbus!’), Montana (‘Helena!’). Tony sloeg zich op zijn knieën en roffelde op de deuren van de buren in de gang, om dit kleine mirakel te komen aanschouwen. Billy kon het niet verkroppen dat het neefje van meneer Schiller meer aandacht kreeg dan hij. Door de juiste antwoorden te geven, werd hij beloond met aandacht. Zo werkt dat kennelijk met papegaaien, prakkiseerde Tony. Terwijl het neefje zich hakkelend door de Engelse taal worstelde, groeide de parate kennis van Billy sprongsgewijs. Billy leerde tellen, leerde kleuren onderscheiden, leerde ondeugende woordjes en leerde in het Duits vloeken, wanneer Tony’s geduld met het neefje was opgebruikt. Billy was een hit. Nou ja, Broadway was misschien een stap te ver, maar in de kleine theaters en speakeasies werden ‘Tony and his amazing speaking parrot’ hartelijk ontvangen. Dat de Billy zijn hoofdsteden kraste met een royaal Duits accent, was een onvoorzien humoristisch extraatje, dat Tony deed besluiten een miniatuurhelmpje voor hem te laten maken. Met zo’n punt, precies zoals de Duitse Kaiser had. Gaandeweg werd de act wat ondeugender, ‘Wat bewaart de buurvrouw in haar kledingkast?’ Billy: ‘Ze milkman!’ Dat soort humor. En het werkte, Tony kon er nu leuk van rondkomen en hield zelfs iets over voor een nieuw kostuum en een enkel dagje naar Coney Island. Een paar blokken vanaf Tony’s woning stond het studiootje van meneer Schubert. ‘Voor al uw trouwfoto’s, portretten en bar mitswa’s, vermeldde de gevel. Tony stapte naar binnen en legde de bleke man in zijn witte laboratoriumjas uit wat de bedoeling was. Publiciteitsfoto’s. Niets artistiekerigs, een simpel portret van een man en zijn papagaai en daarboven in een fijn lettertje ‘Tony Ferrara & his amazing speaking parrot’. Hij maakte een afspraak voor de volgende dag. O’Henleys bar was een café met een podium. Vrijdags Ierse dansen, zaterdags een goochelact en vandaag Tony en zijn wonderbaarlijke kletsmajoor. Het liep al aardig vol, mensen van iets beter allooi dan de sloebers waarvoor hij een paar jaar geleden optrad. Uitgaanspubliek, dankbaar publiek. Tony trok zijn blauwwitte uniform aan en gespte Billy zijn puntige helm om. ‘Hoeveel is vier plus drie’, vroeg Tony. ‘Zeven’, kraste de gehelmde vogel. Applaus. ‘Welke kleur is dit?’ ‘Rood!’ Nog meer applaus. Aardrijkskunde: Billy noemde elke plaats moeiteloos, luid krassend en met ronkende Duitse rollers. Er klonk luid applaus, maar ergens in het publiek ontstond ook enig gedrang. Een man in rokkostuum drong zich naar voren. Waar zijn rechterarm zou moeten zitten, was de mouw afgespeld ter hoogte van de schouder. De jongeman staarde met een woeste blik naar Billy, zijn zwarte, gepommadeerde kuif slingerde glanzend over zijn bezwete voorhoofd. Tony negeerde de man en hield zijn act gaande: Nééééw Mexicoooo!, Móóóntanaaa.. Billy antwoordde zonder haperen. De armloze man wiegde van het ene op het andere been, dansend als een bokser in de ring, hijgend en snuivend. ‘Noooooorth-Dakotaaaa!!!’ ‘Bis…’ Nog voor Billy goed en wel ‘Bismarck!!’ had kunnen krassen, vloog de eenarmige wildeman het podium op. Met een schreeuw stortte hij zich op Billy en greep hij het beest bij de nek. De puntige papegaaienhelm stuiterde over het podium en Tony zag versteend toe hoe het leven uit zijn oogappel werd geknepen. Enkele kelners doken op de man en er ontstond een worsteling. Rode en grijze veren dwarrelden rond de menselijke kluwen, als bonte sneeuwvlokken in het rokerige theaterlicht. Billy was dood. Met droge keel keek Tony naar zijn verfomfaaide vogel. Een politieman tikte hem op zijn schouder en overhandigde hem de keizershelm. Een man in rok stapte op hem af. Deze had wel twee gezonde armen, viel Tony op. Met een ernstig gezicht overhandigde hij Tony een stapeltje bankbiljetten. Hij legde uit dat zijn eenarmige vriend een jaar geleden zijn arm had verloren in Frankrijk, in de loopgraven. Dat hij verschrikkelijke dingen had gezien. Nu ging het niet zo goed met hem. Alles wat hem aan de oorlog herinnerde en vooral alles wat maar enigszins Duits was, bracht de oorlog in hem terug. Maar dat kon Tony niet weten, zei hij begrijpend. Misschien dat dit iets goed kon maken? Tony keek naar de biljetten. Vierhonderd dollar, een half jaarinkomen, het deed hem niks. Hij knikte naar de man en sjokte naar de coulissen. Billy hing als een slecht gestopt verenkussen over zijn arm. De volgende middag stond Tony in zijn zondagse pak in de studio van meneer Schubert. Hij stelde op zich naast het zuiltje dat meneer Schubert al voor Billy had neergezet. Een akelig lege zuil. Tony kneep zijn ogen dicht, haalde diep adem en trok zijn theatergezicht. ‘Kijk eens naar het vogeltje’, klonk het.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten