Een rood rubberen bot ligt bewegingloos bij de achterdeur. Geïrriteerd geeft hij het een schop. Het ding hoort in beweging te zijn. Het bot rolt de woonkamer in, om tergend langzaam tot stilstand te komen bij de rieten hondenmand. De mand is leeg, op een verschoten zwarte deken na, met wat vlekken en bruinwitte haren erop. Het is woensdag, zijn vrije dag. Het is prachtig lenteweer. Hij heeft geen idee wat hij zal doen, vandaag.
Twaalf jaar geleden was Laura twee jaar oud. Een Duitse staander, belachelijk groot voor een teefje. Ze hadden het dier precies een jaar geleden uit het asiel gehaald. Geen idee waar ze aan begonnen. Het leek hen leuk. Meer niet. Het waren mensen die alles deden vanuit een opwelling. Eerst doen, dan zien we later wel wat we verkeerd doen. Dat soort mensen. Dit was verkeerd geweest. Zoals zoveel. De hond was tomeloos. Het had een jaar in het asiel gewoond, met die belachelijke naam van d’r. Laura. Typisch een naam die je krijgt van iemand die je ziet als een substituut-kind. Een vrouwtjeshond hoort Lady te heten, of Doeska, Laila of Loeder. Alles behalve Laura. Het voegde niet. Laura was een nerveuze, rukkende, trekkende, springende hond, zelfs in haar slaap bleef zij onrustig. Hoe vaak ze ook naar cursus reden, met z’n drieën opeengepakt in zijn overjarige twoseater (ook zo’n opwelling), ze bleef doen waar ze zelf zin in had. Spierpijnigend sleuren, vooral.
En daarom moest Laura weg. Kon niet anders. Ze waren het opvallend eens geweest, voor de verandering. Maar het moest wel goed. Ze plaatsten een advertentie in de Volkskrant: ‘Duitse staander (teefje, 2 jaar) zoekt ruimte. Ingeënt, ontwormd met stamboom. Brieven onder nr..’ Ze hadden er lang over nagedacht of ze moesten beginnen met ‘Onstuimige Duitse staander’, of ‘Overenthousiaste Duitse staander’ of ‘Onhandelbare Duitse staander’, maar daar hadden ze toch maar vanaf gezien. Werd te duur, zo hielden zij zich voor.
Vijftien reacties, telden zij opgelucht. Zie je, krijgt ze toch een goed huis. Zijn oog viel op een brief van een mevrouw uit Wageningen. Lekker ver, liet zijn vriendin zich ontvallen. Hij keek op. Ze zei niets en las mee over zijn schouder. ‘Een Duitse staander is altijd de droomwens van mijn man geweest, hij heeft er één als kind gehad en zou dolgelukkig zijn met deze hond’, schreef ze. Ze voegde eraan toe dat ze graag snel langs wilde komen, haar man was over vier dagen jarig en ze wilde hem met deze hond verrassen. Nog voor ze de andere brieven hadden doorgelezen, hing zijn vriendin al aan de telefoon.
Laura was opmerkelijk kalm, die ochtend. Een modelhond. Ze volgde gedwee toen hij haar uitliet en ze deed haar behoefte zomaar eens bovenop een jonge struik in het plantsoen, in plaats van op straat. Mij krijg je niet gek, mopperde de man. Thuisgekomen gooide hij een beker brokken in haar bak en pakte hij haar spullen in. Een pluche muis, een hondenfluitje, een rood rubberen bot en de inentingspapieren. De stamboom had hij niet meer. Of misschien wel nooit gehad peinsde hij, toen de bel ging.
Er stond een keurig gekapte vrouw voor de deur. Grijze jas, grijze pumps, smetteloos. Geen hondentype. Maar dat deerde niet. Ze had al een hondenman. Hij bood haar koffie aan, maar ze kon niet blijven. Het viel hem op dat zij de hond nauwelijks een blik waardig keurde. Ze had de haast van iemand die dubbel geparkeerd staat. Hij lijnde Laura aan, pakte met zijn vrije hand de hondenmand op en volgde de vrouw naar haar auto. De hond sprong in de achterbak. Hij keek nog een laatste keer naar Laura. Ze keek hem aan en had iets droevigs in haar ogen. Maar dat hoort bij het ras, bedacht hij, intussen een droge brok wegslikkend. De stationcar zoefde langzaam de straat uit, behoedzaam remmend bij iedere verkeersdrempel.
Om zes uur ’s ochtends bewees de deurbel dat hij een kater had. Toen zijn vriendin hem uit het bed duwde, golfde een scheut warm braaksel zijn mond in. Hij slikte het door en stommelde in zijn badjas naar beneden. Er stond een vrouw voor de deur. Met hond. De hond kwispelde. De vrouw had zwarte kringen rond haar rooddoorlopen ogen. Haar eerder zo fraai geboetseerde kapsel leek nu scheef te hangen, alsof het niet langer bij het hoofd wilde horen. ‘Hij wil ‘m niet’, prevelde ze. Ze zei ‘’m’, viel hem op. Vanachter de vrouw stapte een kind naar voren, een jaar of acht, schatte hij. Het meisje droeg Laura’s mand en keek al even somber. Verbouwereerd liet hij zich mand en hondenriem in zijn handen drukken. Vrouw en kind maakten zich uit de voeten en even later hoorde hij een auto snel optrekken. Het schurende geluid van het chassis over de verkeersdrempel verscheurde de zondagochtend.
Ze kregen geen kinderen. De hond bleef. Gaandeweg wenden zij aan Laura en misschien, al was hij te sceptisch voor hondenpsychologie, had het beest haar lesje geleerd, die dag. Bovendien was zij na de sterilisatie een stuk rustiger geworden. Laura werd onvermijdelijk. De hond ging mee naar Bretagne. Naar het strand, de dagelijkse rituele rondjes. Ze hielden van haar, met de afstand van mensen die het dier ooit aan een mevrouw uit Wageningen hadden meegegeven. Ze hielden van haar, maar het bleef een hond.
Wat er op de behandeltafel lag, leek weinig meer op een hond. Het was een reutelende, kortademige doffe vacht, waartegen de botten priemden als wankele tentstokken. ‘Een paar minuutjes’, sprak de dierenarts terwijl hij de injectiespuit in een metalen schaaltje legde. ‘Neem gerust afscheid.’ Hij dorst het niet. Hij wachtte met zijn handen in zijn zakken op het eindigen van de ademhaling. ‘Zo’, zei de arts na de laatste zucht. ‘Dat was het.’ Het klonk monter. Een assistente kwam met een papier dat hij moest tekenen, iets met destructie. Hij tekende het werktuiglijk en liep met haar mee om af te rekenen. De klok in zijn auto gaf half tien aan. Half tien, op zijn vrije woensdag. Geen idee wat hij zou gaan doen, vandaag.
donderdag 28 februari 2013
Laura
Een rood rubberen bot ligt bewegingloos bij de achterdeur. Geïrriteerd geeft hij het een schop. Het ding hoort in beweging te zijn. Het bot rolt de woonkamer in, om tergend langzaam tot stilstand te komen bij de rieten hondenmand. De mand is leeg, op een verschoten zwarte deken na, met wat vlekken en bruinwitte haren erop. Het is woensdag, zijn vrije dag. Het is prachtig lenteweer. Hij heeft geen idee wat hij zal doen, vandaag.
Twaalf jaar geleden was Laura twee jaar oud. Een Duitse staander, belachelijk groot voor een teefje. Ze hadden het dier precies een jaar geleden uit het asiel gehaald. Geen idee waar ze aan begonnen. Het leek hen leuk. Meer niet. Het waren mensen die alles deden vanuit een opwelling. Eerst doen, dan zien we later wel wat we verkeerd doen. Dat soort mensen. Dit was verkeerd geweest. Zoals zoveel. De hond was tomeloos. Het had een jaar in het asiel gewoond, met die belachelijke naam van d’r. Laura. Typisch een naam die je krijgt van iemand die je ziet als een substituut-kind. Een vrouwtjeshond hoort Lady te heten, of Doeska, Laila of Loeder. Alles behalve Laura. Het voegde niet. Laura was een nerveuze, rukkende, trekkende, springende hond, zelfs in haar slaap bleef zij onrustig. Hoe vaak ze ook naar cursus reden, met z’n drieën opeengepakt in zijn overjarige twoseater (ook zo’n opwelling), ze bleef doen waar ze zelf zin in had. Spierpijnigend sleuren, vooral.
En daarom moest Laura weg. Kon niet anders. Ze waren het opvallend eens geweest, voor de verandering. Maar het moest wel goed. Ze plaatsten een advertentie in de Volkskrant: ‘Duitse staander (teefje, 2 jaar) zoekt ruimte. Ingeënt, ontwormd met stamboom. Brieven onder nr..’ Ze hadden er lang over nagedacht of ze moesten beginnen met ‘Onstuimige Duitse staander’, of ‘Overenthousiaste Duitse staander’ of ‘Onhandelbare Duitse staander’, maar daar hadden ze toch maar vanaf gezien. Werd te duur, zo hielden zij zich voor.
Vijftien reacties, telden zij opgelucht. Zie je, krijgt ze toch een goed huis. Zijn oog viel op een brief van een mevrouw uit Wageningen. Lekker ver, liet zijn vriendin zich ontvallen. Hij keek op. Ze zei niets en las mee over zijn schouder. ‘Een Duitse staander is altijd de droomwens van mijn man geweest, hij heeft er één als kind gehad en zou dolgelukkig zijn met deze hond’, schreef ze. Ze voegde eraan toe dat ze graag snel langs wilde komen, haar man was over vier dagen jarig en ze wilde hem met deze hond verrassen. Nog voor ze de andere brieven hadden doorgelezen, hing zijn vriendin al aan de telefoon.
Laura was opmerkelijk kalm, die ochtend. Een modelhond. Ze volgde gedwee toen hij haar uitliet en ze deed haar behoefte zomaar eens bovenop een jonge struik in het plantsoen, in plaats van op straat. Mij krijg je niet gek, mopperde de man. Thuisgekomen gooide hij een beker brokken in haar bak en pakte hij haar spullen in. Een pluche muis, een hondenfluitje, een rood rubberen bot en de inentingspapieren. De stamboom had hij niet meer. Of misschien wel nooit gehad peinsde hij, toen de bel ging.
Er stond een keurig gekapte vrouw voor de deur. Grijze jas, grijze pumps, smetteloos. Geen hondentype. Maar dat deerde niet. Ze had al een hondenman. Hij bood haar koffie aan, maar ze kon niet blijven. Het viel hem op dat zij de hond nauwelijks een blik waardig keurde. Ze had de haast van iemand die dubbel geparkeerd staat. Hij lijnde Laura aan, pakte met zijn vrije hand de hondenmand op en volgde de vrouw naar haar auto. De hond sprong in de achterbak. Hij keek nog een laatste keer naar Laura. Ze keek hem aan en had iets droevigs in haar ogen. Maar dat hoort bij het ras, bedacht hij, intussen een droge brok wegslikkend. De stationcar zoefde langzaam de straat uit, behoedzaam remmend bij iedere verkeersdrempel.
Om zes uur ’s ochtends bewees de deurbel dat hij een kater had. Toen zijn vriendin hem uit het bed duwde, golfde een scheut warm braaksel zijn mond in. Hij slikte het door en stommelde in zijn badjas naar beneden. Er stond een vrouw voor de deur. Met hond. De hond kwispelde. De vrouw had zwarte kringen rond haar rooddoorlopen ogen. Haar eerder zo fraai geboetseerde kapsel leek nu scheef te hangen, alsof het niet langer bij het hoofd wilde horen. ‘Hij wil ‘m niet’, prevelde ze. Ze zei ‘’m’, viel hem op. Vanachter de vrouw stapte een kind naar voren, een jaar of acht, schatte hij. Het meisje droeg Laura’s mand en keek al even somber. Verbouwereerd liet hij zich mand en hondenriem in zijn handen drukken. Vrouw en kind maakten zich uit de voeten en even later hoorde hij een auto snel optrekken. Het schurende geluid van het chassis over de verkeersdrempel verscheurde de zondagochtend.
Ze kregen geen kinderen. De hond bleef. Gaandeweg wenden zij aan Laura en misschien, al was hij te sceptisch voor hondenpsychologie, had het beest haar lesje geleerd, die dag. Bovendien was zij na de sterilisatie een stuk rustiger geworden. Laura werd onvermijdelijk. De hond ging mee naar Bretagne. Naar het strand, de dagelijkse rituele rondjes. Ze hielden van haar, met de afstand van mensen die het dier ooit aan een mevrouw uit Wageningen hadden meegegeven. Ze hielden van haar, maar het bleef een hond.
Wat er op de behandeltafel lag, leek weinig meer op een hond. Het was een reutelende, kortademige doffe vacht, waartegen de botten priemden als wankele tentstokken. ‘Een paar minuutjes’, sprak de dierenarts terwijl hij de injectiespuit in een metalen schaaltje legde. ‘Neem gerust afscheid.’ Hij dorst het niet. Hij wachtte met zijn handen in zijn zakken op het eindigen van de ademhaling. ‘Zo’, zei de arts na de laatste zucht. ‘Dat was het.’ Het klonk monter. Een assistente kwam met een papier dat hij moest tekenen, iets met destructie. Hij tekende het werktuiglijk en liep met haar mee om af te rekenen. De klok in zijn auto gaf half tien aan. Half tien, op zijn vrije woensdag. Geen idee wat hij zou gaan doen, vandaag.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten