Pagina's

maandag 2 april 2012

MOIBOI

Rise up this mornin',
Smiled with the risin' sun,
Three little birds
Pitch by my doorstep
Singin' sweet songs
Of melodies pure and true,
Sayin', "This is my message to you”
Singin': "Don't worry about a thing
Every little thing gonna be all right.

Opeens wordt alles anders. Dat unheimische moment waarop je je beseft dat je ongemerkt de grens bent gepasseerd tussen opvoeden en afstand nemen. Tussen vasthouden en loslaten. Tussen zorgen voor en zorgen maken om. En je weet het: er is geen weg terug. Op een onaangekondigde dag ben je geen vader meer, maar word je een vriend.

Ik heb een moiboi thuis. Een slungelige, 14-jarige Colombiaanse manjongen, lichtbruin en inmiddels langer dan ik. Ik weet dat het een moiboi is, omdat er bijna dagelijks puistige tienermeisjes door de straat fietsen, een smalle straat in de binnenstad. Soms stappen zij af en zetten zij hun fietsen tegen een lantaarnpaal en gaan ze wachten. Ze staan te wachten op een glimp van mijn kind die mijn kind niet meer is maar een mens in de steigers, een man in aanbouw.

Nee, het is mijn kind niet meer, dat ontdekte ik een paar maanden geleden, toen wij in de stad liepen, op weg naar een nieuwe pet, of een game, in ieder geval iets dat ik zou moeten betalen. Zo gaat dat. Anders mag ik niet mee.

Ik - de vleesgeworden pinpas - en Noah sjokken zonder veel te zeggen door de Nieuwsteeg en in een plagerige opwelling pak ik zijn hand. Een hand die in niets herinnert aan dat mollige knuistje van eergisteren. Mijn kind is een kolenschop, ruw en pezig. Veertig meter leggen we zo af. Veertig meter van vaderlijke vertrouwdheid, een pappa met zijn zoontje. Veertig meter lang blader ik een paar bladzijden terug in het fotoalbum. Ik zie een kwijlende baby op de bank van Casa Nuevo, Bogota. Ik hoor een dreumes op een potje voor de tv uit volle borst meezingen met de Lion King. Ik zie een kleuter in Enkhuizen, sjorrend aan een luid protesterend geitje.

Opeens beweging van opzij: Noah komt tot de ontdekking dat ik zijn hand vast heb. Erger nog: hij bedenkt dat dit ‘zo niet cool’ is: een zeer blanke man van middelbare leeftijd in een drukke winkelstraat, hand in hand met een bruine tienerjongen die man wil zijn zoals alleen testosterongedreven pubers dat willen. Hij kijkt naar zijn hand in de mijne. ‘Húúú!!’, roept hij en hij schudt zich los. ‘Pap!! ‘Jongûh!!’. En hij grijnst zijn grijns. Een zonovergoten mengeling van verontwaardiging en vermaak. En precies de reden waarom puistige tienermeisjes hun fiets parkeren bij een lantaarnpaal, hunkerend naar een glimp van de grijns.

Het is dezelfde grijns die ik zag toen ik vorige week voor de zoveelste keer op bezoek ging bij zijn school. ’s Avonds, na een volstrekt overbodige uitleg over het virtuele loopbaanperspectief dat scholen kennelijk verplicht zijn aan te bieden aan kinderen wier enige levensvragen bestaan uit hoe je dat meisje uit 2G zover krijgt dat ze met je gaat tongen in het fietsenhok, hoe je een broek zo laag mogelijk kan dragen zonder dat je piemel eruit floept en hoe je in vredesnaam het volgende level van Assasins’ Creed kan halen, zonder voor de zoveelste keer gespietst te worden door de ingenieuze valdeur bij de ingang van het bisschoppelijk paleis. Scholen begrijpen kinderen niet. En kinderen begrijpen scholen niet. Het zijn onverenigbare noemers. Alsof je een volkomen tevreden indianenstam ergens in de regenwouden van de Amazone gaat uitleggen hoe verrotte handig dat wel niet is, Twitteren.

We komen wel vaker op school. Vaker dan we willen. We worden niet eens meer uitgenodigd, we worden gesommeerd. Want de moiboi is niet makkelijk.. Hij is het kind van de laatst gegooide sneeuwbal, precies in de loop van een juist passerende conciërge.
Hij is de jongen voor wie straks de leerplichtambtenaar wordt ingeschakeld, omdat hij twaalf keer te laat in de les is verschenen. Binnen drie maanden. Niet omdat hij zo laat van huis vertrekt, integendeel. Hij arriveert altijd veel te vroeg. Maar niet ín school, maar in de nabijheid van de school. Op het schoolplein, of misschien zelfs voor de deur van de school, maar zelden op tijd daarbinnen. Te gezellig. Zo komt hij twaalf keer te laat in de les, and counting. Wegens chillen.

Hij is het liefste joch ter wereld, maar als hij een grap in zijn hoofd heeft, móet het eruit. Hij is het kind dat altijd als laatste nog net even dat laatste dingetje moet zeggen – of eigenlijk: brommen, met een veel te harige baard in zijn keel – als de docent van dienst al zes keer om stilte heeft verzocht. Een kind dat om onverklaarbare reden als enige op een stoel, tafel of – jawel – vensterbank staat op het moment dat een docent de klas in loopt. En dat vindt niet iedere leraar leuk. En dan mag je er op een gegeven moment niet meer in. Hij hoeft niet eens een poging te wagen met zijn medeleerlingen – die natuurlijk allemaal veel erger zijn – mee naar binnen te lopen. De weigerdocent verspert de weg en zegt niets. En daar schuifelt mijn kind voor te zoveelste keer de verlaten gang door, onbegrepen en onschuldig, richting het kamertje van de langzaamaan vertwijfelde conrector.

Dus dan staat-ie daar weer, papseflaps. Terug naar de school die hij nooit meer hoopte terug te zien. Vaklokaal Engels, met nog steeds dezelfde Big Ben-poster aan de muur. Enjoy Britain. Maar ik enjoy me niet. Ik sta voor schut. Ik sta daar en schaam me dood, biddend dat dit alsje-alsjeblieft niet het moment zal zijn waarop je te horen krijgt dat je zoon niet langer welkom is op hun leerfabriek.

Dat het nog net niet zo ver is gekomen, komt door de grijns. De smile des doods. Een onweerstaanbare lach, die maakt dat alles wat belangrijk is, wordt gereduceerd tot bijzaak. Een ontwapenende glimlach die maakt dat je jonge poesjes wil aaien of een bloem in je haar wil steken en zingend een grazige heuvel wil af huppelen. Een glimlach die als de eerste lentebries je hart instroomt en maakt dat je even een beetje meer van het leven gaat houden. Die grijns, die glimlach. En dat werkt. Bij gewone stervelingen. Meestal. Vaak. Dit keer niet. Sommige mensen zijn onbegrijpelijk immuun voor moiboicharmes. Dus mag hij weer eens een les niet in, nooit meer. Tenzij hij zijn oprechte excuses aanbiedt. Hij. Oprecht. Excuses. Oei.

Nu heeft Noah de ongelofelijke mazzel over een mentrix te beschikken die het serieus met hem meent. Die dus begrijpt dat je bij hem juist helemaal niet moet doen alsof je het serieus met hem meent, anders neemt hij jou niet serieus. Serieuze volwassenen zijn als Taliban voor een kind. Zij praten niet, zij plegen aanslagen in een land waar het kind zichzelf tot soevereine vorst heeft uitgeroepen.

Noah’s mentrix heeft peper- en zoutkleurig haar, ze is klein en gedrongen en ze draagt een kettinkje van de naturistenvereniging. Ze is een vrouw met een zachte G, die zegt: 'Okee Noah, we gaan oefenen hoe jij je excuses aanbiedt aan die meneer'. En dan gaan ze oefenen, met ons als publiek. Noah met even grote pretlichtjes als mevrouw M. Dan ze spelen een spelletje dat ze allebei niet menen, maar waarvan ze allebei weten dat het spelletje zo gespeeld moet worden. Noah toont zijn Colgate lach. Mevrouw M. (60+) is verliefd.

Vijf minuten later staat Noah tegenover de docent bij wie hij niet meer welkom is. De man lijkt op een buikige tuinkabouter, hij heeft kraaloogjes en de kunstmatige onaantastbaarheid van een parkeerwachter. Ik zie hem en ik snap het.
Noah kijkt hem aan en mompelt zijn excuses met onverholen spot in zijn ogen. En hij komt er mee weg. Opnieuw. Alweer. Dûh.. Dan draait hij zich om, steekt zijn handen in zijn zakken en slentert zorgeloos door de verder verlaten gang. Op zijn gezicht verschijnt de grijns.

Ik volg hem met mijn ogen. Mijn moiboi, denk ik. Mijn vriend, mijn geluk en mijn verdriet. De wereld ligt aan je voeten. Alleen weet de wereld dat nog niet.