Pagina's

vrijdag 3 juni 2011

Ontmoeting op de zon

Lewis keek al een beetje ongemakkelijk. Hij had verwacht de wandeling na de Oosterpoort voort te zetten in het Julianapark. In plaats daarvan sloegen we rechtsaf naar de Zon. Bij het stoepje van Esdégé Reigersdaal, had hij er genoeg van. Tot groot genoegen van een mongoloïde man voor het raam, zakte Lewis door zijn knieën om een fijne, chocoladebruine drol te draaien. Precies op het natuurstenen, rolstoelvriendelijke stoepje. Ik zwaaide onhandig naar de wat olijk uitziende man met zijn piekhaar en jampotbril, die glunderend naar de dampende hoop stond te kijken. Was het mijn neef daar, in zijn groen gestreepte trui?

Ik heb een neef met Down, dat is zeker. Maar ik heb hem al jaren niet meer gezien. Tientallen jaren. Hij woonde een stuk verderop toen, mooi excuus. Mijn vader bleef hem opzoeken, tot wederzijds genoegen. Hij werd door mijn neef steevast begroet met een even teder als welgemeend "Ome Siem, ouwe lul!!". Dat deed mijn neef bij niemand anders. Alleen mijn vader verdiende die ontvangst. Iedere keer als mijn vader dit vertelde, trok er een liefdevolle glimlach over zijn gezicht, een onbekende glimlach, dit was kennelijk de glimlach die hij reserveerde voor mijn neef. Mijn vader had een zwak voor de jongen. Hoewel hij wist er weinig zinnigs te verwachten viel, bleef hij hem bezoeken. Meestal alleen. Hij vroeg ons nooit mee. Ik denk weleens dat mijn vader dat deed om dat laatste beetje familie uit zijn geboortestreek dichter bij zijn hart te houden. Hij had zijn moeder en vader als kind verloren, terwijl zijn lievelingsbroer ook jong was gestorven. Ik kan mij goed voorstellen dat je de laatste levende band naar je ouders het liefst beschermend tegen je borst zou willen drukken. Misschien om in de verte het hart van je vader te horen kloppen. Los van zijn eigen kinderen, maar dat was toch anders, was er niemand anders meer in wie hij zichzelf kon of wilde herkennen.



Na het overlijden van mijn vader, ook veel te jong, ging het niet goed met mijn neef. Hij was vooral erg boos steeds, hoorde ik via via. Het laatste wat ik vernam, was dat hij in een tehuis zou zitten. Ergens in Hoorn. Ik keek nog eens goed naar de man, terwijl ik de drol met een boterhammenzakje oppakte. Waren zijn ogen blauw? Hij had zeker blond haar en ergens meende ik dezelfde hoekige bouw te herkennen. De man in zijn mosgroene trui staarde terug met sprakeloze ogen. We keken elkaar enkele seconden aan en ik glimlachte. Een ander soort glimlach dan die van mijn vader. Dat wist ik. De man, mijn vermoedelijke neef, drukte een groot, verschoten geel konijn tegen zijn wang en draaide zich om. Ik slikte iets weg en gaf een ruk aan de riem. Kom Lewis.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten