Pagina's

donderdag 27 januari 2011

Iemand zal boeten

Ik ben bang dat het te laat is. Ik ben bang dat het nooit meer zal zo zijn zoals het was, omdat het niet kan, omdat het niet mag, omdat je niet meer kan. Duizend domme redenen voor één laatste afscheid.

Ik ben bang dat, wanneer ik het CS verlaat en jou zie staan, ergens bij een lantaarnpaal met je fiets aan je hand, stralend in de koude februariregen, ik ter plekke in zwijm zal vallen, in de valse hoop dat een verlate kerstengel mij komt verlossen uit mijn afgetrapte bestaan.

Ik ben bang dat, wanneer wij na uren slenteren door de Jordaan, intussen elkaar onze hartsgeheimen influisterend, jij je hand uit de mijne zal laten glijden om je fietssleutel uit je regenjas te vissen.

Ik ben bang dat dit zo'n moment kan zijn waarop ik mijn hele leven aan mij voorbij zal zien trekken. Jij, gebukt over je Gazelle, terwijl ik ongeveer een minuut lang niets anders kan doen dan naar de grond staren. Ik kijk je aan en je kijkt recht in mijn ogen.

Maar je blikken ketsen af, of gaan dwars door mij heen. En dan vallen je oogleden dicht voor iets dat langer lijkt te duren dan een eeuwigheid en als je ze weer opent, kijk je naar je laarzen, bruin leer, nauwelijks hakjes.

Ik til mijn loodzware hand op, die zojuist nog onmachtig langs mijn lichaam hing, hij beeft, mijn leven is haast voorbij. Nog een paar laatste beelden. Zestien millimeter, halftotaal.



Dan steek jij je hand uit en omringt je vingers met de mijne, met de tederheid waarmee alleen jij gezegend bent. Heel even, dan laat je ze los, één voor één laat je ze ontglippen.

Je kijkt mij een laatste keer aan. Jouw ogen. Die ogen. Die goddelijke ogen. Ovenschotelogen. En dan leg je mijn hand op mijn borst, ver weg van jouw lichaam. Ik probeer je te vast te pakken, een hulpeloze poging. Je weet je gêne nauwelijks te verbergen.

Ik probeer de woorden die je zegt om te buigen naar iets wat ik wél wil horen. Ik ga je niet begrijpen. Want het klopt niet. Een droevige glimlach plooit om jouw lippen. Jouw lippen. Jouw lippen! Eindeloze lippen. Goddelijke lippen. Hemelse schuilplaats.

En, terwijl je wegdraait uit mijn klunzige omarming, geef je mij een kus op mijn ongeschoren wang en streelt mijn gezicht, licht, nauwelijks waarneembaar, maar ik huiver.

Dan stap je op. Eén voet op de linkertrapper, je maakt vaart met twee elegante stapjes en je glijdt op je zadel. Je kijkt niet om.

Ik sta onbeweeglijk op de Rozengracht en mijn ogen beginnen zich langzaam te vullen. Een aquarel van machteloosheid.

Na ongeveer een kwartier draai ik me om. Ik loop naar Ben Cohen en bestel een broodje shoarma. Met extra veel knoflooksaus.

Iemand zal boeten.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten